Hieronder vindt u een samenvatting van de belangrijkste bepalingen die in het Vlaamse jachtdecreet zijn opgenomen. De WBE is niet verantwoordelijk voor eventuele bepalingen die fout zijn overgenomen of zijn uitgelegd. Het ganse decreet kan worden opgevraagd via de Vlaamse overheid of een andere instantie.

Het jachtdecreet (enkel voor Vlaamse Gewest)

Hfdstk 1: algemene bepalingen

Art. 2.: dit decreet beoogt het verstandig gebruik van wildsoorten en hun leefgebieden.

De jachtdaad is de handeling waarbij het wild gedood, gevangen, opgespoord en achtervolgd wordt.

Art. 3.: Dit decreet verstaat onder wild alle dieren die behoren tot de in de artikel bedoelde soorten. Het wild wordt volgens volgende categorieën gerangschikt:
a) grof wild: edelherten, reeën, damherten, moeflons, wilde zwijnen
Geen wild: gens, sikahert, muntjak
b) klein wild: hazen, fazanten, korhoenders, patrijzen
Geen wild: houtsnip
c) waterwild: wilde eenden, krakeenden, slobeenden, kuifeenden, tafeleenden, pijlstaarten, wintertalingen, smienten, grauwe ganzen, rietganzen, watersnippen, meerkoeten, toppereenden, kolganzen, kleine rietganzen, Canadaganzen, waterhoenen, kieviten, zomertalingen, bokjes, goudplevieren
Geen wild: dwergeend, krooneend, poelsnip, meeuwen
d) overig wild: houtduiven, konijnen, vossen, verwilderde katten, bunzings, hermelijnen, wezels, boommarters, steenmarters
Geen wild: wilde kat, mussen, spreeuwen, kraaien, gaai

Hfdstk 2: jachttijden

Art. 4: De Vlaamse regering bepaalt minstens vijfjaarlijks de data van de opening en van de sluiting van de jacht.

Art. 5: De Vlaamse regering kan het jagen op de door haar aan te duiden wildsoorten per beheerseenheid afhankelijk stellen van het bezit van een door of namens haar u afschotplan. Voor het jagen op grof wild is ook een afschotplan verplicht. Zie ook art. 12.

Art. 6: Het is verboden te jagen tussen de officiële zonsondergang en de officiële zonsopgang.
4 uitzonderingen: reejacht, konijnenjacht, eendenjacht, ganzenjacht

Hfdstk II: houder van het jachtrecht, jachtterreinen

Art. 7: het is verboden op enigerlei wijze te jagen op andermans grond zonder uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende. In geval van betwisting inzake het jachtrecht op hetzelfde perceel heeft hij die een schriftelijk akkoord van de eigenaar kan voorleggen het jachtrecht.

Elke houder van het jachtrecht die op welke wijze ook van zijn recht gebruik maakt, verlicht een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein met aanduiding van de percelen waarbinnen hij geen jachtrecht heeft, in te dienen bij de arrondissementscommissaris.

De houder van het jachtrecht die een plan heeft neergelegd dat de toestand van zijn jachtterrein niet juist weergeeft en die, op verzoek van de arrondissementscommissaris binnen de vastgestelde termijn geen juiste gegevens neerlegt, en de houder van het jachtrecht die aan deze ambtenaar de voorgeschreven informatie niet mededeelt wordt bestraft.

Art. 8: paragraaf 1: de jacht met het geweer is verboden op elk terrein waarvan de aaneengesloten oppervlakte minder bedraagt dan veertig hectare. (Niet voor jacht met roofvogels.)

Als aaneengesloten terreinen beschouwd:

  1. jachtterreinen die doorsneden worden door een openbare of privéweg, een niet bevaarbare waterloop of een spoorweg

Niet als aaneengesloten beschouwd:

  1. hetzij door een autoweg, bevaarbare waterloop, door een spoorweg met een breedte, bermen inbegrepen, van meer dan vijftig meter, worden doorsneden.
  2. die verbonden zijn door delen waarin omwille van hun afmetingen geen cirkel met een straal van ten minste 25 meter kan worden getrokken.

Het is verboden op minder dan 150 meter van woningen of gebouwen vuurwapens af te vuren in de richting van deze laatste.

Paragraaf 2: de jacht met het geweer op waterwild is toegestaan op terreinen met een minimum aaneengesloten wateroppervlakte van 3 hectare.

Art. 9: het is verboden te jagen op de spoorwegen en hun aanhorigheden.

Art. 11: Het jagen op de domeinen van de Staat, het militair domein inbegrepen, het Gewest, de provincies, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de kerkfabrieken is alleen geoorloofd ingevolge een openbare aanbesteding van het jachtrecht.

De zittende jager en een wildbeheereenheid, zoals bedoeld in artikel 12, hebben het recht bij een aanbesteding, voor zover zij deelgenomen hebben aan de aanbesteding, een hoger bod te doen.

Het recht tot jagen in het Zoniënbos is voorbehouden aan de Kroon.

Art. 12: De Vlaamse regering kan de voorwaarden bepalen waaronder afzonderlijke jachtterreinen vrijwillig tot grotere beheerseenheden worden samengelegd ten behoeve van het wildbeheer, het natuurbehoud en het verbeterd toezicht.

Hfdstk IV: het jachtverlof

Art. 13: hij die jagend met het geweer wordt aangetroffen en geen jachtverlof bij zich heeft, wordt gestraft tenzij het binnen 48 uur na de vaststelling van de feiten, het bewijs levert dat hij op dat ogenblik houder was van een regelmatig jachtverlof.

Het jachtverlof is persoonlijk, het is maar geldig voor een jaar, te rekenen van 1 juli.

Art. 15: paragraaf 1: de houders van een jachtverlof afgegeven in het Vlaamse Gewest kunnen als gastheer een jachtvergunning krijgen voor hun niet in het Vlaamse Gewest wonende genodigden.

Hfdstk V: de jachtmiddelen

Art. 19: het is te allen tijde verboden gebruik te maken van netten, strikken, stroppen, lokaas, giftige stoffen en van enig ander tuig geschikt om jaagbaar wild te vangen, te doden of om het vangen of doden van dat wild te vergemakkelijken. Wel toegestaan zijn vuurwapens.

De arrondissementscommissaris kan het jachtverlof voorlopig intrekken ongeacht de regelementaire bepalingen betreffende de afgifte van de jachtverloven.

Art. 20: De bepaling van artikel 19 is niet toepasselijk:

  1. op de buidels voor het vangen van konijnen
  2. op met wetenschappelijke doeleinden gebruikte vangtuigen

Hfdstk VI: bestrijding van wild (niet jagen)

Art. 22: Het is, op straffe van een geldboete, verboden op enigerlei wijze te jagen buiten de door de Vlaamse regering bepaalde tijden, onverminderd het recht van de eigenaar of de grondgebruiker om jaagbaar wild dat schade toebrengt aan zijn gewassen, teelten, bossen of eigendommen terug te drijven. De eigenaar of de grondgebruiker mag zijn inwonende familieleden daarmede belasten.

Indien de eigenaar of de grondgebruiker kan aantonen dat geen andere bevredigende oplossing bestaat, kan hij het jaagbaar wild eveneens doden of laten doden onder de in het voorgaande lid vermelde voorwaarden.

Het doden mag alleen gebeuren:

  1. door personen die voldoen aan de voorwaarden opgelegd door de Vlaamse regering tot het verkrijgen van een jachtverlof
  2. met vuurwapens en andere door de Vlaamse regering te bepalen middelen, ev. zonder jachtverlof, op voorwaarde dat de eigenaar of de grondgebruiker een verzekering tegen burgerlijke aansprakelijkheid heeft afgesloten
  3. tussen het officiële uur van zonsopgang en het officiële uur van zonsondergang
  4. na voorafgaande schriftelijke ingebrekestelling van de houder van het jachtrecht op de grond waarop de bestijding gebeurt en na voorafgaande schriftelijke verwittiging van de ambtenaar die daartoe door de Vlaamse regering is aangewezen.

Het gedode wild moet naar een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin de bestrijding plaatsvindt te worden overhandigd ( OCMW)

Art. 23: de grondgebruiker en de personen aan wie hij daartoe de opdracht geeft mogen te allen tijde wilde konijnen vangen en doden.

De houder van het jachtrecht of zijn gemachtigde mag, indien hij voorzien is van een jachtverlof, te allen tijde, een uur voor de officiële zonsopgang en een uur na de officiële zonsondergang, konijnen op de loer schieten. (zie artikel 6)

Het is verboden levende wilde konijnen of vossen uit te zetten, te verkopen, te kopen, te koop te stellen, te vervoeren of te venten met welk middel ook.

Hfdstk VII: wildschade

Hfdstk VIII: vervoer en handel in wild

Art. 26: in het gehele of een gedeelte van het grondgebied van het Gewest is het verboden grof wild, klein wild, waterwild en de door de Vlaamse regering aangewezen soorten van het overig wild levend of dood te vervoeren of in de handel te brengen, behalve vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild.

Het verbod van het eerste lid slaat niet op wildpreparaten (vleeswaren waarin het wild niet meer herkenbaar in is vb. paté)

Het is eveneens verboden aan handelaars in eetwaren, traiteurs en restaurateurs in het eerste lid genoemde wild bij zicht te houden, zelfs buiten hun woning, en het is aan iedereen verboden de genoemde wildsoorten te verberegen of bij zich te houden voor rekening van handelaars of trafikanten (NIET HOUDEN)

Vervoer, opslag en handel van diepgevroren wild geoorloofd buiten de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild. (WEL HOUDEN)

Art. 29: het is te allen tijde en overal verboden wild uit te zetten!

Hfdstk IX: het toezicht

Art. 31: Op aanvraag van de aansteller, met akkoord van de aansteller van de andere bijzondere wachters en van de provinciegouverneur en mits begeleid door de houder van het jachtrecht, mag de bijzondere wachter zich laten bijstaan door een of 2 bijzondere wachters van omliggende gebieden. (3 jachtwachter mogen samen op stap gaan ’s nachts)

Art. 32: De jagers mogen niet worden ontwapend, behalve in volgende gevallen:

  1. wanneer de verdachte verkleed of gemaskerd is, of weigert zijn naam kenbaar te maken of geen bekende woonplaats heeft;
  2. wanneer het misdrijf bij nacht wordt gepleegd;
  3. wanneer de verdachte bedreigingen, smaad of geweld pleegt tegen de agenten van het openbaar gezag of van de openbare macht.
© WBE Drie Koningen / Webmaster Olivier Martens