Hieronder vindt u de bepalingen van de jachtwet. De WBE is niet verantwoordelijk voor eventuele bepalingen die fout zijn overgenomen of verouderd zijn.

Uitvoeringsbesluiten

Uitvoeringsbesluiten

 

17 augustus 1964 – Koninklijk besluit tot regeling v/h gebruik van jachtkansels met het oog op de uitoefening v/d jacht.

Art. 2: Bij de uitoefening v/d jacht is het verboden zich met een jachtwapen te bevinden op of gebruik te maken van jachtkansels, gelegen op minder dan 200 meter van:
1 elk terrein waarv/h jachtrecht aan een ander toebehoort
2 een kunstmatige voederplaats voor het wild
3 een teelt, bestemd als voeder voor wild, met uitzondering van al dan niet verbeterd natuurlijk grasland.

28 oktober – Besluit v/d Vlaamse regering betreffende het gebruik van vuurwapens en munitie bij de jacht in het Vlaamse gewest.

BESLUIT
Art. 2: Onverminderd de bepalingen van artikel 1 mogen alleen de onderstaande geweren worden gebruikt:

  1. geweren met gladde loop van tenminste het kaliber 20 en ten hoogste 12.
  2. geweren met getrokken loop met een nominaal kaliber uitgedrukt of omgerekend in millimeter van ten minste 5,6 mm
  3. geweren met gladde en getrokken loop die elk beantwoorden aan de in dit artikel gestelde grenzen voor een gladde respectievelijk getrokken loop

Art. 3 paragraaf 1: bij het jagen met geweren op de hierna opgesomde soorten en categorieën wild mag slechts gebruik worden gemaakt v/d hiernavermelde soorten munitie voor het doden of afmaken v/h desbetreffende wild:

  1. jacht op grofwild:
    1 voor reewild: kogelpatronen voor getrokken loop waarv/d normale trefenergie minstens 980 J op 100 m afstand v/d loopmond bedraagt. Minimum 5,6 mm.
    2 voor overig grof wild (hert, everzwijn, mouflon, damhert): kogelpatronen voor getrokken loop met een nominaal kaliber, niet kleiner dan 6,5 mm, en waarv/d normale trefenergie bovendien minstens 2200 J op 100 m afstand v/d loopmond bedraagt.
    3 voor alle grof wild: voor de drijfjacht (verboden in Vlaanderen) op grof wild zijn kogelpatronen voor gladde loop v/h kaliber 20, 16 en 12 eveneens toegestaan.
  2. jacht op kleinwild, waterwild: hagelpatronen waarv/d korrelgrootte v/d hagel een doorsnede van 3,5 mm niet overschrijdt.
  3. jacht op overig wild: hagelpatronen waarv/d korrelgrootte v/d hagel een doorsnede van 4 mm niet overschrijdt of kogelpatronen v/enominaal kaliber van tenminste 5,6 mm.

10 mei 1989 – besluit v/d Vlaamse regering tot uitvoering van artikel 4 v/d jachtwet van 28 februari 1882 voor het Vlaamse gewest.

BESLUIT
Art. 1: het plan bestaat uit een of meerdere kaartbladen op schaal 1:10000 waarop de houder v/h jachtrecht, die van zijn jachtrecht gebruik maakt, de grenzen van zijn jachtveld met een rode doorlopende lijn die een gesloten figuur vormt omlijnt.

Ingesloten terreinen, kleiner dan 1 ha, waarop het jachtrecht aan een andere persoon toebehoort, moeten niet op dit plan worden aangeduid.

Art. 2: Dit plan wordt jaarlijks in 3-voud neergelegd bij de arrondissementscommissaris voor de datum v/d opening v/h jachtseizoen.

Zo het jachtterrein geen wijziging onderging tov. het vroeger neergelegd plan, volstaat de neerlegging v/everklaring daarover, opgesteld in drievoud, door de houder v/h jachtrecht.

Art. 4: Indien, de landbouwkundig ingenieur, bevoegd voor de jacht, vaststelt dat eenzelfde grondstuk door meer dan een persoon of groep van personen als zijn of hun uitsluitend jachtterrein wordt aangeduid, brengt hij de arrondissementscommissaris bij wie het plan werd neergelegd, op de hoogte van  zijn vaststelling.

De arrondissementscommissaris nodigt de betrokken personen uit een nieuw plan neer te leggen binnen een termijn van ten hoogstens 3 maand. Zo dit niet gebeurt binnen deze termijn, brengt hij de procureur des Konings daarvan op de hoogte.

13 juli 1994 – besluit v/d Vlaamse regering tot invoering v/e afschotplan voor reewild

BESLUIT
Art. 2: een afschotplan wordt vastgesteld per jachtterrein of per beheerseenheid.
Als er verschillende houders v/h jachtrecht zijn of als er een beheerseenheid is samengesteld, moet het afschotplan toegewezen worden aan een gemachtigde die alle houders v/h jachtrecht vertegenwoordigd.

Art. 5: De houder v/h jachtrecht of zijn gemachtigde dient een aanvraag tot toewijzing v/h afschotplan in voor 15 oktober v/h jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

De aanvrager v/h afschotplan dient aan de leden v/d rijkswacht, de leden v/d landelijke politie en de ambtenaren v/h bestuur te allen tijde vrije toegang te verlenen tot het jachtterrein waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit geldt zowel voor het verrichten van voorbereidend onderzoek als voor elke vorm van toezicht met betrekking tot de naleving v/d voorwaarden, gesteld bij de toewijzing v/h plan.

Art. 6: De woudmeester beslist over de toewijzing of de weigering v/h afschotplan, op basis v/d volgende criteria:

  1. de reewildstand, het afschot tijdens de voorgaande jaren, de oppervlakte en de aard v/h jachtterrein
  2. het afschot in de streek rekening houdend met de adviezen v/d Commissie
  3. eventueel de uitslag v/e onderzoek naar de reewildstand en mogelijke reewildschade

Art. 9 bis: elke geschoten ree moet onmiddellijk worden gemerkt met een label, dat boven het hielgewricht v/d achterpoot wordt bevestigd.

Het label mag niet worden verwijderd zolang het ree zich in onversneden toestand bevindt.

Het label mag niet kunnen worden verwijderd zonder het te beschadigen.

De labels worden samen met het goedgekeurde afschotplan door het bestuur afgeleverd.

Niet-gebruikte labels moeten uiterlijk 15 oktober worden ingeleverd bij de woudmeester.

Art. 10 paragraaf 1: Voor de controle van en het onderzoek naar het reewildafschot wordt het geschoten reewild in de loop v/d dag v/h afschot aangeboden of gedurende vierentwintig uur ter beschikking gehouden v/d aangestelden v/h bestuur bevoegd voor het ambtsgebied waarin het jachtterrein gelegen is. In het laatste geval worden zij daarvan telefonisch of schriftelijk op de hoogte gebracht door de houder v/h jachtrecht of zijn gemachtigde.

Besluit v/d Vlaamse regering betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2008 tot 30 juni 2013.

Hfdstk 10: algemene verbodsbepalingen

Art. 16: het is verboden:
1° met uitzondering v/d jacht op reewild bij sneeuw te jagen welke ook de hoeveelheid sneeuw is die de grond bedekt op de locatie waar wordt gejaagd.
2° voor de jacht of de bestrijding levende lokvogels te gebruiken
3° te jagen met hazewindhonden
4° te jagen, hoe dan ook, in velden waarop zich graangewassen of andere korrel- of zaaddragende planten bevinden, rijp of rijpend te velde staande of gemaaid, maar liggende op de grond, behalve in toepassing v/d artikelen 7 en 9 van dit besluit, uitgezonderd op maïs, op gras en voeder van alle aard, op bieten, aardappelen, rapen en andere planten die niet geteeld worden met het oog op graan- of zaadopbrengsten, op de oogsten van gebonden, rechtgezette of opgehoopte graan- en zaadgewassen, of op de herfstbezaaiingen.
5° te jagen met honden binnen een straal van 50 meter rond een vossen- of dassenburcht.
6° te jagen op waterwild minder dan 200 meter v/evoederplaats waarop granen of andere lokvoeders worden gebruikt of werden aangebracht minder dan één maand voordien
7° de jacht met meute en paarden te beoefenen
8° veerklemmen te bezitten, te verhandelen en te gebruiken
9° voederplaatsen aan te leggen op minder dan 100 meter v/d grens v/ejachtterrein

19 september 2003 – Besluit v/d Vlaamse regering tot wijziging v/d regelgeving betreffende de jacht n het Vlaamse gewest.

BESLUIT
Art. 3 bis paragraaf 1: het gebruik van loodhagel en zinkhagel is verboden.

Paragraaf 2: bij wijze van overgangsmaatregel is het gebruik van loodhagel tot 30 juni 2008 toegestaan. (nieuwe openingsbesluiten)

© WBE Drie Koningen / Webmaster Olivier Martens